Nogal wild
Wanneer Jeroentje de volgende morgen
aankomt,
staat Erik dan ook vanuit een schuilhoekje tussen de
bank en de boekenkast de boel afkeurend te bekijken.
Het gaat precies zoals hij dacht. Jeroentje komt niet
gewoon zelf naar binnen. Anne, zijn moeder, draagt
hem in een soort houdgreep de kamer in. Dat belooft
niet veel goeds.
„Kijk eens hoe Jeroentje is gegroeid," wijst
Anne
op het bundeltje onder haar arm. Erik is weieens met
Floor, zijn moeder, bij ze op bezoek geweest. Toen
was Jeroentje nog een baby, die lief lag te slapen in
een wiegje. Sabbelend op een duimpje. Nu is alles
rond en stevig aan hem. En in plaats van te duimen en
te slapen, gilt en spartelt hij.
„Joentje lopele, Joentje lopele!"
Hij heeft grote ronde ogen, die wild
rondkijken. Op
zoek naar problemen, denkt Erik. Hij heeft wel iets
van een varkentje. Dat gegil. En die lucht.
„Het leek me niet zo'n best idee hem in de
trein een
schone luier te geven," zegt Anne. „Hij is nogal
wild," zegt ze lachend en ze schuift de borden opzij
die al op tafel stonden. Ze legt Jeroentje midden op de